Rb. 's-Gravenhage 21 juli 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2101

Verblijf bij dochter / artikel 8 EVRM / ingangsdatum verblijfsvergunningg Verweerder heeft na een eerdere weigering besloten tot verlening van een verblijfsvergunning omdat naar zijn oordeel tussen eiser en zijn dochter een zodanige gezinsband bestaat dat op grond van voornoemd artikel verblijf aan hem moet worden toegestaan. In de thans gedane uitspraak wordt slechts ingegaan op het geschilpunt dat partijen nog verdeeld houdt, te weten per welke datum voornoemde vergunning moet worden verleend. Eiser stelt dat reeds op een eerder moment dan 4 december 2007 sprake was van een zodanige (intensieve) gezinsband dat vergunningverlening moet volgen. In de onderhavige uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar eerder door haar gedane uitspraken, als haar oordeel uitgesproken dat eiser op 11 augustus 2005 aan de voorwaarden voor toekenning voldoet, zodat hem per die datum een verblijfsvergunning toekomt. Verweerder wordt opgedragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen