Rb. 's-Gravenhage 14 juli 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1462
Geschil tussen bestuurders (en gelieerden) van een Stichting. Eén van de voorwaarden om bestuurder van de Stichting te kunnen zijn is het zijn van commissaris van een bepaalde B.V. Vast staat dat de drie betreffende personen in het verleden zijn benoemd tot commissaris Nadat hun benoemingstermijn (van vier jaar) was verstreken, is echter geen sprake geweest van een (geldige) herbenoeming. Op grond van de statuten van de B.V. en artikel 2:252 BW moet de herbenoeming van een commissaris plaatsvinden door de algemene vergadering van aandeelhouders van de B.V. Bewijsstukken dienaangaande ontbreken, zodat niet kan worden aangenomen dat dat is gebeurd. Er is geen sprake van stilzwijgende herbenoemingen tot commissaris. Bij een herbenoeming moet rekening worden gehouden met de wijze waarop de taak als commissaris is vervuld (artikel 2:252 lid 3 BW). Blijkens de wetsgeschiedenis bevordert die motiveringsplicht dat men zich bij iedere herbenoeming rekenschap geeft van het functioneren van de betreffende commissaris. De raad van commissarissen behoort namelijk het vertrouwen te hebben van zowel de aandeelhouders als de werknemers. In verband daarmee behoort periodiek te worden nagegaan of dat vertrouwenm nog aanwezig is. Daarmee verhoudt een stilzwijgende herbenoeming zich niet. Beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gaat hier ook niet op, ook al hebben de betreffende personen zich gedurende enige tijd - zonder protest - gedragen als commissaris. Een ledenraad van een coöperatie/vereniging die uit minder personen bestaat dan het statutair vastgelegde aantal kan nog wel haar taken en bevoegdheden uitoefenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl