Rb. 's-Gravenhage 18 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN1020

Met de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2008 is behoudens nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden komen vast te staan dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag nog steeds op eiser van toepassing is en dat hij om die reden ongewenst kan worden verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De door eiser genoemde uitspraken van het Joegoslaviëtribunaal en de daarop gebaseerde redenering leveren geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op. Bij uitspraak van 24 september 2009 heeft de Afdeling overwogen dat de brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement (Qanooni) geen concreet aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000 en dus niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Voorts is de rechtbank, in navolging van de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 24 september 2009, van oordeel, dat de notitie van de UNHCR van 13 mei 2008 en de brieven van de UNHCR geen concreet aanknopingspunt vormen voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Hetzelfde geldt voor de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2008, reeds omdat uit die brief niet blijkt dat daarin afstand wordt genomen van het ambtsbericht. Met de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2008 is het besluit tot ongewenstverklaring van 27 juni 2006 rechtens onaantastbaar geworden. Daarmee staat vast dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om eiser ongewenst te verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voorts is niet in geschil dat eiser sinds zijn ongewenstverklaring niet buiten Nederland heeft verbleven. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de ongewenstverklaring op grond van artikel 68, tweede lid, van de Vw 2000 dan wel artikel 6.6, eerste lid, van het Vb 2000 op te heffen. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden kunnen zijn om de ongewenstverklaring al dan niet tijdelijk op te heffen. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, sedert het in rechte onaantastbaar worden van het besluit tot ongewenstverklaring, weliswaar is verslechterd, maar dat hierin nog geen aanleiding bestaat om tot de conclusie te komen dat eiser persoonlijk bij terugkeer het risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn betrekking op een situatie waarin ook artikel 3 van het EVRM bescherming biedt. Het, overigens niet inhoudelijke, beroep op de Definitierichtlijn faalt derhalve en kan niet tot een ander oordeel leiden dan verwoord in het besluit van 25 mei 2007. Verweerder heeft in zoverre geen aanleiding hoeven zien de ongewenstverklaring, al dan niet tijdelijk, op te heffen. De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de medische toestand van eiser tot de conclusie zou moeten leiden dat zijn uitzetting naar Afghanistan strijd oplevert met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet gesteld dat in zijn geval sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Derhalve heeft verweerder in de medische toestand van eiser geen aanleiding hoeven zien voor opheffing van de ongewenstverklaring. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat eiser sedert het eerdere besluit van 25 mei 2007geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die aan het daarin gegeven oordeel kunnen afdoen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen