Rb. 's-Gravenhage 2 juli 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN0062

Verdachte wordt verweten dat hij op 5 januari 2009 bij de Israëlische ambassade in Den Haag door de intercom heeft gezegd dat hij met explosieven de muur ging opblazen, terwijl hij geen explosieven bij zich had en dit niet van plan was. De officier van justitie acht verdachte niet strafbaar voor het door hem gepleegde strafbare feit, omdat hij voor dit feit volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, en heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. De rechtbank stelt vast dat er geen twijfel bestaat over de aanwezigheid van verdachte op 5 januari 2009 bij de Israëlische ambassade. Verdachte verkeerde op dat moment in een psychose en gedroeg zich vreemd. Beoordeeld moet echter worden of hij de hem tenlastegelegde woorden heeft geuit. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaringen van verdachte niet als (ondersteunend) bewijs kunnen worden gebruiktt en vindt ook overigens geen steun voor het tenlastegelegde. Vrijspraak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen