Rb. 's-Gravenhage 16 juni 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9617
Eisers stelling, dat voor hem de inkomensgrens niet kan gelden omdat hij is aangewezen op een duurdere, niet algemeen gebruikelijke vervoersvariant, valt niet binnen de beoordelingssystematiek van de Voorzieningenregeling. In de artikelen 4 tot en met 6 van de Voorzieningenregeling is uitdrukkelijk geregeld in welke gevallen een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto kan worden toegekend. Deze tegemoetkoming is expliciet afhankelijk gesteld van de hoogte van het inkomen. Gelet hierop biedt de Voorzieningenregeling geen ruimte om te beslissen in de door eiser voorgestane zin. Verweerder heeft dan ook op goede gronden beslist dat eisers vervoersvoorziening dient te worden beëindigd. Voorzover eiser heeft beoogd een beroep te doen op artikel 11 van de Voorzieningenregeling (hardheidsclausule), overweegt de rechtbank als volgt. In navolging van de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 29 november 2007, LJN: BB9996, is de rechtbank van oordeel dat in de artikelen 4 tot en met 6 van de Voorzieningenregeling uitdrukkelijk is geregeld in welke gevallen een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een eigen auto kan worden toegekend, afhankelijk van de hoogte van het inkomen, en dat dit meebrengt dat er geen ruimte is voor toepassing van de onderhavige hardheidsclausule. Dat eiser is aangewezen op een duurdere, niet algemeen gebruikelijke, vervoersvariant maakt hem niet tot een bijzonder geval in de zin van artikel 11 van de Voorzieningenregeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl