Rb. 's-Gravenhage 11 juni 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8632
Somalië / artikel 15, onder c, Definitierichtlijn / artikel 29, aanhef en onder b, Vw 2000 / humanitaire situatie / kwetsbare minderheidsgroep Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn niet (langer) moet worden uitgegaan van de situatie in Mogadishu, maar van de situatie in heel Zuid- en Centraal Somalië. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 (JV/ 2009/111), waarin wordt overwogen dat het gaat om “(…) een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied (…)”. Uit de informatie waarnaar eiseres heeft verwezen kan niet worden afgeleid dat de intensiteit van het willekeurige geweld in heel Zuid- en Centraal Somalië van een zodanige omvang is, dat een burger die terugkeert naar dat gebied louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit die informatie voorts blijkt dat, voor zover op sommige plaatsen in het gebied een dergelijke intensiteit van geweld wel wordt bereikt, grote groepen mensen in staat zijn zich daaraan te onttrekken. Voorts blijkt uit de voorhanden informatie dat de humanitaire omstandigheden in het gebied slecht zijn, wat mede wordt veroorzaakt door de slechte voedselsituatie, maar niet dat de voedselsituatie - die voor ontheemden in het bijzonder zeer ernstig is - zodanig is dat reeds op die grond iedere burger een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres kan zich daarom niet met vrucht beroepen op de bescherming die artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid aanhef en onder b van de Vw 2000 jo artikel 3.105d, aanhef en onder b van het Vreemdelingenbesluit 2000, beoogt te bieden. De rechtbank zal voorts toetsen of eiseres zich met vrucht kan beroepen op de bescherming die artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 overigens beoogt te bieden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals verweerder ter zitting heeft erkend, eiseres bij terugkeer naar het gebied Zuid- en Centraal Somalië een groot risico loopt in de positie van ontheemde te geraken. Gelet op wat in het algemeen ambtsbericht Somalië van maart 2010 en in het rapport van de FSAU van februari 2010 wordt gemeld over de positie van vrouwen en kinderen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat ten aanzien van (alleenstaande) vrouwen en kinderen de humanitaire situatie als gevolg van het geweld niet zodanig is, dat zij niet moeten worden aangemerkt als groepen die systematisch worden blootgesteld aan een schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel als kwetsbare minderheidsgroepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl