Rb. 's-Gravenhage 16 juni 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8019
Verzoekster, geregistreerd partner van de gefailleerde, heeft zich op grond van artikel 69 Fw tot de rechter-commissaris gericht met het verzoek de curator te bevelen binnen 14 dagen duidelijkheid te geven aan verzoekster omtrent het opeisen van haar woning door de curator. De rechter-commissaris heeft - de vraag omtrent de ontvankelijkheid van het verzoek in het midden latend - dit verzoek geïnterpreteerd als een verzoek om de curator te bevelen voornoemde woning van verzoekster ex artikel 61 Fw te laten terugnemen. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen. Ten aanzien van het initiële verzoek aan de rechter-commissaris ex artikel 69 Fw is de rechtbank met de curator van oordeel dat dit verzoek, conform het eerste lid van dit wetsartikel, uitsluitend kan worden ingesteld door (een) schuldeiser(s), de commissie uit hun midden benoemd en de gefailleerde. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster tot deze limitatieve ‘kring der gerechtigden’ behoort. Verzoekster had derhalve door de rechter-commissaris niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. In die situatie biedt de wet geen ruimte, ook niet met een beroep op door verzoekster gestelde belangen en haar relatie tot gefailleerde, om desondanks het verzoek te beoordelen, zoals de rechter-commissaris heeft gedaan. De stelling van verzoekster dat de curator geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris ten aanzien van de ontvankelijkheid, maakt dit niet anders. De ontvankelijkheid van het verzoek raakt de openbare orde zodat de rechtbank die ambtshalve moet toetsen.
De uitspraak op rechtspraak.nl