Rb. 's-Gravenhage 27 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7395
Overdrachtsbelasting 2006, pleitbaar standpunt. Eiseres heeft van drie verkopers een aantal aan elkaar grenzende percelen gekocht om daar een glastuinbouwbedrijf op te beginnen. Hij beroept zich in de aangifte op de vrijstelling voor bouwterreinen. Verweerder heeft een naheffingsaanslag met een vergrijpboete wegens grove schuld opgelegd die, na bij uitspraak op bezwaar te zijn verminderd, ziet op de van verkoper C aangekochte percelen, omdat daaraan geen bewerkingen hebben plaatsgevonden. Eiseres neemt het standpunt in dat de door hem aangekochte percelen voor de toepassing van de overdrachtsbelasting als één onroerende zaak zijn aan te merken, zodat de naheffingsaanslag en de vergrijpboete dienen te worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat onroerende zaken die fysiek gescheiden zijn als afzonderlijke zaken in aanmerking dienen te worden genomen. Een uitzondering geldt slechts voor onroerende zaken die zich niet voor zelfstandig gebruik lenen. Uit het feit dat de percelen bij drie verschillende verkopers in gebruik waren en kadastraal afzonderlijk waren geregistreerd, leidt de rechtbank af dat sprake was van fysiek gescheiden onroerende zaken die zich voor zelfstandig gebruik lenen. De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd. Niettemin acht de rechtbank het standpunt van eiseres dermate verdedigbaar dat het niet aan de grove schuld van eiseres is te wijten dat te weinig overdrachtsbelasting is betaald. De vergrijpboete wordt derhalve vernietigd. Het beroep tegen de naheffingsaanslag is dus ongegrond, het beroep tegen de vergrijpboete is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl