Rb. 's-Gravenhage 19 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6969

In geding is het besluit van 10 mei 2010 van verweerder houdende de last tot beëindiging van de uitoefening van het horecabedrijf vóór 20 mei 2010, onder bedreiging van verzegeling. De overname van het horecabedrijf door de stichting van verzoekster vormde de aanleiding voor een aanvraag van verzoekster op 30 maart 2010 om een vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet alsmede een exploitatievergunning ingevolge de plaatselijke Algemene Plaatselijke Verordening. De aanvraag van verzoekster is buiten behandeling gesteld, kort gezegd omdat verweerder niet beschikt over informatie zoals bedoeld in het vragenformulier ingevolge artikel 30 van de Wet Bibob, terwijl hierom, in het kader van een aanvraag van een aan de bestuurders van verzoekster gelieerde exploitante van een ander horecabedrijf, herhaaldelijk was verzocht. Niet in geding is dat verzoekster het bedrijf exploiteert zonder vergunning. Aldus bestaat voor verweerder de beginselplicht tot handhaving, waaraan echter in de weg kan staan het concrete zicht op legalisatie danwel onevenredigheid tussen de met handhaving te dienen belangen en de belangen van betrokkene. Naar het voorlopig oordeel van de rechter bestaat onvoldoende concreet zicht op legalisatie. De rechter is voorshands van oordeel dat in hetgeen verweerder heeft aangevoerd voldoende reden bestaat voor het doen van nader onderzoek naar de integriteit van bij verzoekster betrokken (rechts)personen. Aldus resteert de vraag of ondanks de afwezigheid van een concreet zicht op legalisatie de bestreden beschikking de evenredigheidstoets kan doorstaan. Naar het oordeel van de rechter is het thans aan gerede twijfel onderhevig of in financiële zin evenredigheid bestaat tussen de consequenties van de sluiting van het bedrijf voor verzoekster enerzijds, te weten de mogelijke beëindiging van het bedrijf, en anderzijds het gestelde belang van verweerder, te weten het voorkomen van oplopend financieel nadeel bij schuldeisers van verzoekster. Daarbij benadrukt de rechter dat ondanks de gerede twijfel aan de integriteit van de bij verzoekster betrokken (rechts)personen allerminst vast staat dat uit een bibob-onderzoek zal blijken dat de exploitatie door verzoekster daadwerkelijk zal worden gebruikt om onder meer strafbare feiten te plegen. Dat financieel nadeel zal worden berokkend aan de schuldeisers van verzoekster is thans dus niet zeker. De rechter is evenwel van oordeel dat het belang van verweerder bij handhaving van het vergunningsvereiste en zijn beleid daarbij zwaarder dient te wegen dan het evidente belang van verzoekster. Hierbij merkt de rechter nadrukkelijk op dat hier niet slechts de beginselplicht tot handhaving van bestuursrechtelijke normen aan de orde is, waarvan onder bovengenoemde voorwaarden juist kan worden afgeweken, maar tevens het voorkomen van het onder gebruikmaking van een vergunning van verweerder (doen) plegen van strafbare feiten. Het belang dat gemoeid is met het voorkomen van strafbare feiten en het in dat verband indien reden bestaat voor een bibob-beoordeling afzien van het gedogen van horeca-activiteiten zonder vergunning, acht de rechter in dezen van doorslaggevend gewicht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen