Rb. 's-Gravenhage 12 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6943

Art. 1:2 Awb. Art. 26a AWR. Art. 6, 13 EVRM. Art. 1 Eerste Protocol EVRM. Art. 29 Successiewet. Art. 46 IW 1990. Bezwaar tegen een aanslag successierecht die is opgelegd aan een onbekende. Verweerder heeft een aanslag schenkingsrecht (hierna: de aanslag) opgelegd ter zake van een schenking die in 2002 is gedaan door K (hierna: de erflater). De tenaamstelling van de aanslag luidt: “Aan: De heer/Mw. ONBEKENDE”. Opposante is de enig erfgenaam van de erflater. Zij heeft bezwaar tegen de aanslag gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep in een uitspraak ex art. 8:54 Awb ongegrond verklaard. Daartegen heeft opposante verzet gedaan. De toezending van de ten name van een onbekende gestelde aanslag aan (het administratiekantoor van) opposante doet hooguit een afgeleid belang van opposante bij de aanslag ontstaan. Een afgeleid belang is niet genoeg om van opposante een belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb te maken. Naast dit afgeleide belang heeft opposante nog een andere betrokkenheid bij de aanslag. Op grond van art. 46, lid 3, IW 1990 kan opposante, in haar hoedanigheid van enig erfgenaam van de schenker, verplicht worden het bedrag van de aanslag te betalen. Deze financiële betrokkenheid geeft opposante wel een rechtstreeks belang bij de aanslag. Hoewel de rechtbank in de uitspraak waarvan verzet heeft miskend dat opposante een belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb is, tast dit de juistheid van de beslissing van de rechtbank dat het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ongegrond is, niet aan. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende. Bij de integratie van het fiscale bestuurs- en bestuursprocesrecht in het algemene bestuurs- en bestuursprocesrecht heeft de wetgever twee in het fiscale bestuurs- en bestuursprocesrecht van oudsher bestaande beperkingen van het recht tegen een besluit beroep in te stellen en daaraan voorafgaand bezwaar te maken, gecontinueerd. De beperkingen zijn neergelegd in art. 26 en 26a AWR. In het onderhavige geval gaat het met name om de tweede beperking. Zij brengt mee dat, nu opposante niet de belanghebbende is aan wie de aanslag is opgelegd, haar het recht is ontzegd om tegen de aanslag beroep in te stellen en daaraan voorafgaand bezwaar te maken. De innerlijke waarde en de billijkheid van deze ontzegging staan, gelet op art. 11 Wet algemene bepalingen, niet ter beoordeling van de rechtbank. Van strijd met art. 6 EVRM is, gelet op EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, V-N 2001/44.5 (Ferrazzini vs. Italië), geen sprake. Ook heeft de wetgever, gelet op de derde volzin van dat artikel, art. 1 van het Eerste Protocol EVRM niet geschonden. Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan een overweging toe over de vraag of, uitsluitend beoordeeld op grond van de eerste twee volzinnen van art. 1 Eerste Protocol, van een schending van dat artikel sprake zou zijn. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend, met verwijzing naar EHRM 15 december 2009, nr. 18176/05 (Wieckzorek vs. Polen) en EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99; BNB 2002/398, Della Ciaja vs. Italië). Nu de door opposante genoemde, in het EVRM gewaarborgde rechten en vrijheden van opposante niet zijn geschonden, faalt ook haar beroep op art. 13 EVRM. . De stelling van opposante dat de ontzegging van het recht om tegen de aanslag rechtsmiddelen in te stellen in strijd is met de algemene rechtsbeginselen, met name het fairplaybeginsel en het verbod van détournement de pouvoir (machtsmisbruik), kan haar niet baten omdat deze beginselen niet zijn vastgelegd in een algemeen verbindend voorschrift van hogere orde dan art. 26a AWR, zoals een eenieder bindende verdragsbepaling of een bepaling van communautair of supranationaal recht. Ook de stelling van opposante dat zij bezwaar heeft gemaakt als zaakwaarnemer van de onbekende ten name van wie de aanslag is gesteld, verwerpt de rechtbank. Opposante maakt niet aannemelijk dat zij tegen de aanslag bezwaar heeft gemaakt om het belang te dienen van de onbekende, ten name van wie de aanslag is gesteld. Geen rechtsregel staat toe dat de rechtbank art. 29, lid 3, Successiewet, dat geldt vanaf 1 januari 2010, met terugwerkende kracht van toepassing laat zijn op de aanslag, nog daargelaten of deze bepaling, nu art. 26a AWR niet gelijktijdig is aangepast, ten gevolge kan hebben dat de schenker tegen de aanslag bezwaar kan maken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen