Rb. 's-Gravenhage 29 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5845

Vennootschapsbelasting. Vrijval egalisatiereserve. Eiseres bezat een motorschip dat zij in 2005 heeft verkocht. Voor het verplichte periodieke onderhoud van het schip had eiseres een egalisatiereserve gevormd. Verder had eiseres diverse contracten voor de exploitatie van schepen die onder meer inhielden zij een deel van het onderhoud van de schepen voor haar rekening nam. Voor deze onderhoudskosten had eiseres ook een egalisatiereserve gevormd. De exploitatiecontracten zijn in 2005 beëindigd. In 2005 heeft eiseres de bij de verkoop van het schip behaalde winst en de eindsaldi van de egalisatiereserves gedoteerd aan een herinvesteringsreserve (HIR). Verweerder stelt dat de egalisatiereserves in 2005 moeten vrijvallen. De rechtbank oordeelt dat een egalisatiereserve en een HIR zodanig van elkaar verschillen dat er geen wettelijke grond is om de saldi van de egalisatiereserves te doteren aan een HIR. Dat door de onderhoudscontracten een economisch belang in de schepen ontstaat, maakt dit niet anders. Verder oordeelt de rechtbank dat de aard van een egalisatiereserve meebrengt dat deze aan de winst wordt toegevoegd als het bedrijfsmiddel waarop de egalisatiereserve betrekking heeft wordt afgestoten. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen