Rb. 's-Gravenhage 3 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3374
De 46-jarige verdachte is door de Rechtbank tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld voor mensensmokkel, mensenhandel en het uitbuiten van illegaal in Nederland verblijvende Indonesiërs. Verdachte heeft zijn persoonlijk geldelijk gewin en dat van zijn partner uitdrukkelijk gesteld boven dat van de vrijheid en integriteit van zijn slachtoffers. Hij heeft zich niets gelegen laten liggen aan de omstandigheden waarin hij zijn slachtoffers liet wonen en werken, uitsluitend ten behoeve van zijn eigen verrijking. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste vormen van uitbuiting. Daarbij heeft hij een leidende en initiërende rol gehad. De slachtoffers hebben onder mensonterende omstandigheden in de woning van verdachte verbleven. Voorts hebben zij in de vorm van moderne slavernij arbeid moeten verrichten voor verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. Het is op deze grond dat de rechtbank een zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank realiseert zich hierbij terdege dat een lange detentie voor verdachte vanwege zijn blindheid extra zwaar zal zijn en houdt daarmee rekening bij de strafbepaling.
De uitspraak op rechtspraak.nl