Rb. 's-Gravenhage 28 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2837

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, nu dit gericht is tegen het niet (doen) afgeven van een verblijfsdocument. Het uitblijven van de afgifte moet worden aangemerkt als een handeling, als bedoeld in artikel 73, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank zal vervolgens in het kader van de finale geschillenbeslechting beoordelen of er aanleiding bestaat om zelf in de zaak te voorzien. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2009 (LJN BK6180) overweegt de rechtbank dat de brief van 9 oktober 2007 (aanbod Pardonregeling) een toezegging behelst om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning, nadat aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vraag of de nadere toets aan de voorwaarden van de Pardonregeling belemmeringen oplevert nog niet kan worden beantwoord, nu het uitleveringsverzoek van de Kroatische autoriteiten nog aanhangig is. Nadien is gebleken dat de rechtbank de uitlevering van eiser toelaatbaar heeft geacht. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de nadere toets aan de voorwaarden van de Pardonregeling thans belemmeringen oplevert, omdat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om uitlevering niet kan worden aangemerkt als een concrete aanwijzing dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid evenmin als het feit dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft geacht. De rechtbank is van oordeel dat rechtens nog slechts één beslissing mogelijk is, te weten het verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen