Rb. 's-Gravenhage 12 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2528
RANOV / intrekken aanbod / besluit / gerechtvaardigd vertrouwen Gelet op het bepaalde in artikel 3.104 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 en 20 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, bekendgemaakt door uitreiking van het document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw 2000, waaruit het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a onderscheidenlijk onder b, Vw 2000 blijkt. Een verblijfsvergunning op grond van de Regeling is daarom niet verleend op het moment waarop de vreemdeling het aanbod heeft aanvaard, maar eerst na uitreiking van voornoemd document, bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw 2000. Het aanbod om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de Regeling is derhalve (slechts) een voorbereidingshandeling om tot vergunningverlening over te gaan. Er is derhalve geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb. De intrekking van het aanbod moet echter, evenals het niet ambtshalve doen van een aanbod, worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vw 2000. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht ontvankelijk verklaard. Bij eiser kan weliswaar sprake zijn geweest van opgewekt vertrouwen dat hij in het bezit zou worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Regeling, echter het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat, indien het aanbod op een voor eiser kenbare fout berust, verweerder gehouden is dit aanbod gestand te doen en eiser een verblijfsvergunning op grond van de Regeling te verlenen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser, voor zover hij niet op de hoogte was van de strafrechtelijke veroordeling, redelijkerwijs wel had kunnen weten dat hiervan sprake was.
De uitspraak op rechtspraak.nl