Rb. 's-Gravenhage 9 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2251

1F/artikel 31, tweede lid, onder k, Vw 2000 / misdrijven tegen de menselijkheid/het begrip ‘burgerbevolking’ De rechtbank is van oordeel dat de term “gericht tegen de burgerbevolking” ook militairen kan omvatten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in de uitspraak van 31 augustus 2005 (LJN: AU2241) overwogen: “Gelet op de uitspraken van de tribunalen duidt het woord ‘burger’ in de term burgerbevolking op een tegenstelling met militair waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de slachtoffers van de handelingen geen militairen zijn, dan wel personen die niet meer actief deelnemen aan vijandelijkheden” In de uitspraak van 7 mei 1997, zaaknummer IT-94-1-T (Tadic) heeft het Joegoslavië-tribunaal zich uitgelaten over de term burgerbevolking. Daarbij is overwogen dat een brede term van het begrip “burgerbevolking” moet worden gehanteerd. In de bewuste uitspraak verwijst het tribunaal, kort gezegd, naar het onderscheid tussen burgers en militairen, welke is gelegen in het kader van vijandelijkheden en de deelname daaraan. In voornoemde uitspraken wordt aldus voor een onderscheid tussen burgers en militairen van belang geacht of deze personen al dan niet deelnemen aan de vijandelijkheden. In deze zaak is er, voor zover thans van belang, geen sprake van een conflictsituatie of vijandelijkheden en dus geen sprake van personen die deel nemen aan vijandelijkheden. Evenmin is het oorlogsrecht van toepassing op de soldaten die voor fraude of diefstal voor de militaire rechtbank werden gedaagd. Er is daarom geen rechtvaardiging voor een onderscheid tussen militairen en burgers om te bepalen of sprake is van een misdrijf tegen de menselijkheid. Het feit dat in het onderhavige geval de slachtoffers van de als foltering aan te merken handelingen militairen waren, maakt dan ook niet dat er niet kan worden gesproken van misdrijven tegen de menselijkheid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen