Rb. 's-Gravenhage 24 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1962
Incidentele vordering tot opheffing dan wel vervallenverklaring van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van een verstekvonnis. Anders dan met betrekking tot hoger beroep (art. 351 Rv) ontbreekt in de wet een uitdrukkelijke bepaling tot herstel van de schorsende werking van het verzet. In discussie is of artikel 351 Rv analoog kan worden toegepast in verzetzaken. De incidentele vordering wordt - gelet daarop - aangemerkt als een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv. Eiseres is dus ontvankelijk. Vordering afgewezen, omdat het gestelde restitutierisico onvoldoende is onderbouwd. Bovendien zijn - in het licht van de geldende jurisprudentie (o.a. HR 9-4-2004, NJ 2005, 130) - geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit misbruik van bevoegdheid bij de executie van het verstekvonnis kan worden afgeleid. Opgemerkt wordt nog dat eiseres een incidentele vordering tot zekerheidstelling (ex art. 235 Rv) had kunnen instellen, hetgeen zij heeft nagelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl