Rb. 's-Gravenhage 3 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9814
Verzoek opheffing ongewenstverklaring en (N)SIS-signalering / toepasselijkheid gemeenschapsrecht Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in Nederland maar alleen in België, de lidstaat waar zijn Nederlandse echtgenote verblijft, zijn gemeenschapsrechten kan doen gelden. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser de concrete wens heeft om zich direct bij zijn echtgenote in België te vestigen en dat de SIS-signalering een obstakel vormt om deze wens te verwezenlijken. De rechtbank komt tot de conclusie dat (de echtgenote van eiser die wordt aangeduid als) referente en eiser onder het toepassingsbereik van richtlijn 2004/38 vallen en dat de toets of aan het in de richtlijn opgenomen openbare orde-criterium is voldaan, niet uitgesteld mag worden tot het moment dat eiser in België een verzoek om verblijf heeft ingediend, België voornemens is eiser verblijf te verlenen en België op grond van artikel 25 SUO met Nederland in overleg treedt inzake de signalering dan wel tot het moment dat eiser en referente zich melden aan de Belgisch-Nederlandse grens om Nederland voor korte duur te bezoeken. Nederland heeft een eigen verantwoordelijkheid en zelfstandige plicht om naar aanleiding van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring en de SIS-signalering te toetsen of eiser naar Europeesrechtelijke maatstaven een gevaar vormt voor de openbare orde.
De uitspraak op rechtspraak.nl