Rb. 's-Gravenhage 11 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL9026
Mvv-procedure / openbare orde / belangenafweging / artikel 3.77, vierde lid, Vb 2000 / evenredigheidsbeginsel Artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 bevat een discretionaire bevoegdheid. Aan die bevoegdheid is invulling gegeven in paragraaf B1/4.4.1 van de Vc 2000. Nu volgens dat beleid rekening wordt gehouden met de in artikel 3.77, vierde lid, van het Vb 2000 genoemde factoren dient er volgens het beleid wel een - beperkte - belangenafweging plaats te vinden. Uit het gebruik van ‘ten minste’ in artikel 3.77, vierde lid, van het Vb 2000 leidt de rechtbank af dat er ook andere dan de daar genoemde belangen in die belangenafweging dienen te worden betrokken. Dit leidt de rechtbank eveneens af uit de Nota van Toelichting bij het besluit van 23 november 2006 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarbij dit artikellid is toegevoegd. Ook blijkt daaruit dat deze bepaling wordt beschouwd als verbijzondering van hetgeen uit de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb al voortvloeit. Verweerder had ook de aard en ernst van de gepleegde misdrijven en het gevaar voor recidive in de belangenafweging moeten betrekken, nu deze van belang zijn bij de vraag of voldaan is aan het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Dat het beleid daarin niet voorziet maakt dat niet anders, nu dit direct voortvloeit uit artikel 3.77, eerste lid, onder c, van het Vb 2000 en artikel 3.4 van de Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl