Rb. 's-Gravenhage 10 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL7909

Reikwijdte artikel 9 Wet voorkeursrecht gemeenten. Blijkens de wetsgeschiedenis is het systeem van de Wvg erop gericht dat bij een voorkeursrecht de betrokken grond niet langer met dat recht wordt bezwaard dan nodig is en slechts zolang voldaan wordt aan de doelstelling van dat recht. Het in de wet vastgelegde stelsel van elkaar opvolgende tijdelijke voorkeursrechten strekt er dan ook toe dat een tijdelijk voorkeursrecht voor ommekomst van de in de wet opgenomen geldigheidstermijn wordt bestendigd door een voorkeursrecht dat is gebaseerd op een planologische grondslag die een volgende stap vormt in het planologische proces. Voorts blijkt uit de brief van de Minister van VROM van 9 februari 1996 dat artikel 9 van de Wvg met zich brengt dat het niet tijdig bestendigen van een tijdelijk voorkeusrecht komt te vervallen en dat het gedurende twee jaren niet meer op dezelfde grondslag mag worden gevestigd. De rechtbank leidt hieruit af dat artikel 9 van de Wvg ziet op opeenvolgende aanwijzingen op basis van dezelfde grondslag. Nu het voorkeursrecht in 2004 was gevestigd ex artikel 8 van de Wvg op basis van een kaart met toegedachte bestemming en de aanwijzing in 2008 heeft plaatsgevonden ex artikel 2 van de Wvg op basis van het RSP 2020 is er geen sprake van vestiging van een voorkeursrecht op dezelfde grondslag, zodat niet is voldaan aan het vereiste van een "zodanig besluit" als bedoeld in artikel 9 van de Wvg.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen