Rb. 's-Gravenhage 21 januari 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL4355
Tijdelijke opheffing ongewenstverklaring / kennelijk onredelijk beleid / aanwezigheidsrecht artikel 6 EVRM De rechtbank merkt allereerst op dat ingevolge vaste jurisprudentie het aanwezigheidsrecht van een verdachte en het recht op rechtsbijstand tijdens een strafzaak twee afzonderlijke en zelfstandige rechten zijn. Voorts volgt uit voornoemde jurisprudentie dat het aanwezigheidsrecht van een verdachte van cruciaal belang is voor een eerlijk procesverloop. Ingevolge het beleid zoals opgenomen in hoofdstuk A5/5.4 van de Vc 2000 wordt echter alleen in het geval de aanwezigheid van de verdachte naar het oordeel van de strafrechter noodzakelijk is tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het beleid dan ook onvoldoende rekening gehouden met het cruciale belang dat ingevolge de jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad toekomt aan het aanwezigheidsrecht ex artikel 6 van het EVRM. Voorts stelt de rechtbank vast dat het beleid in paragraaf A5/5.4 van de Vc 2000 de mogelijkheid voor een vreemdeling om een tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring te verkrijgen in verband met het volgen van een eigen strafzaak, verder inperkt dan door de wetgever is bedoeld, zo blijkt uit de Nota van Toelichting op artikel 6.7 van het Vb 2000. Het beleid is in zoverre dan ook kennelijk onredelijk te achten. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl