Rb. 's-Gravenhage 13 januari 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BK9316
Incident houdende een provisionele vordering. In de hoofdzaak vordert SDV (kort samengevat) verklaringen voor recht dat de “Raamovereenkomst tussen VROM, bedrijfsleven en VNG over de aanpak van de dossiers verpakkingen en zwerfafval voor de jaren 2008 t/m 2012” en de daarop gebaseerde uitvoeringsprotocollen geen juiste implementatie van de geldende Europese regelgeving vormen en dat de uitvoering daarvan ook anderszins in strijd is met de toepasselijke wet- en regelgeving. In het incident dat thans aan de orde is vordert SDV, als voorlopige voorziening voor de duur van de hoofdzaak in eerste aanleg -onder meer- gedaagden te gebieden zich te onthouden van het op welke wijze dan ook uitvoering geven aan de Raamovereenkomst en de daarop gebaseerde uitvoeringsprotocollen.Tijdens de pleitzitting in dit incident hebben alle partijen te kennen gegeven belang te hebben bij (in elk geval óók) een voorlopig oordeel van de rechtbank over de zaak zelf. De rechtbank geeft een zodanig voorlopig oordeel. Het (rechts)karakter van de Raamovereenkomst wordt beoordeeld. Anders dan SDV heeft betoogd, is de Raamovereenkomst niet het instrument waarmee de Staat heeft voldaan of heeft beoogd te voldoen aan zijn verplichting tot implementatie van de Verpakkingsrichtlijn (Richtlijn 94/62/EG). In de kern is de Raamovereenkomst goeddeels een private overeenkomst van uitvoerende aard. De rechtbank komt tot de voorlopige conclusie dat het onaannemelijk is dat de vorderingen in de hoofdzaak op enig relevant onderdeel zullen worden toegewezen. In elk geval is de toewijsbaarheid van die vorderingen niet in zodanige mate aannemelijk dat het verantwoord is daarop vooruitlopende voorlopige voorzieningen te treffen.
De uitspraak op rechtspraak.nl