Rb. 's-Gravenhage 2 september 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BL7273
Vanwege een voorgenomen investering in windturbinepark, vraagt eiser de belastingdienst schriftelijk te bevestigen dat hij in het kader van die investering als ondernemer voor de belastingdienst wordt aangemerkt, zodat hij recht heeft op energie-investeringsaftrek. Vervolgens sluit hij twee koopovereenkomsten terzake van het windturbinepark met daarin een ontbindingsclausule voor het geval hij de hiervoor bedoelde schriftelijke bevestiging van de Belastingdienst niet binnen een maand krijgt. De Belastingdienst beantwoordt het verzoek van eiser in negatieve zin. Eiser vraagt herziening en tweeënhalve maand later bericht de Belastingdienst eiser dat hij nu wel als ondernemer wordt aangemerkt. Eiser stelt dat de Belastingdienst reeds bij de eerste gelegenheid een positieve beslissing had kunnen en moeten afgeven. Nu de Belastingdienst dat nadien alsnog heeft gedaan brengt dit volgens eiser mee dat de eerste beslissing, die volgens hem een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht is, op een onjuiste uitleg van de wet berust en daarom onrechtmatig is. De rechtbank oordeelt dat de eerste beslissing niet als definitief oordeel en daarmee ook niet als beschikking heeft te gelden, maar als een voorshandse standpuntbepaling moet worden aangemerkt, nu in de betreffende brief het voorbehoud ligt besloten dat de beslissing anders zou kunnen zijn indien binnen de Belastingdienst nader onderzoek had plaatsgevonden, hetgeen echter vanwege het aandringen van eiser op een beslissing binnen de voor dat onderzoek benodigde termijn, achterwege is gebleven. Voor eiser was dit kenbaar. Geen onrechtmatig handelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl