Rb. 's-Gravenhage 30 december 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BL3762

Inkomstenbelasting. Artikel 3.92, lid 2, Wet IB 2001. Eiser heeft een aanmerkelijk belang in [E] en heeft een aandeel in de vordering van de aandeelhouders op [E], welk aandeel eiser om niet heeft verkregen. De vordering bedroeg eind 2000 ƒ 1.979.464,- en eind 2001 ƒ 1.678.722,-. De rechtbank oordeelt dat het verschil tot de in 2001 te belasten inkomsten uit een werkzaamheid van eiser behoort en dat daarbij niet van belang is welke bestemming aan de door [E] op de vordering betaalde bedragen wordt gegeven en evenmin of het bedrag waarmee de vordering is afgenomen door eiser is ontvangen of op andere wijze aan hem ten goede is gekomen. Zou hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd juist zijn, dan zou dit feitelijk inhouden dat de jaarstukken van [E] de standen van de vordering onjuist weergeven. Dit is echter gesteld noch gebleken. Het door eiser in geding gedane voorstel om de aflossingen alsnog aan te merken als het verstrekken van een geldlening kan niet in rechte worden afgedwongen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen