Rb. 's-Gravenhage 10 december 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8427
Asiel / herhaalde aanvraag / nieuw feit / homoseksualiteit / Iran / beroep gegrond / voorlopige voorziening afgewezen Tussen partijen is niet in geschil dat eiser na de afwijzende beschikking op zijn eerdere asielaanvraag ontdekt heeft dat hij homoseksueel is. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van een nieuw feit, waarvan niet op voorhand is uitgesloten dat het kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit. In het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Iran van juli 2008, door verweerder in het bestreden besluit vermeld, is in paragraaf 3.4.4 aandacht besteed aan de positie van homoseksuelen. De daarin opgenomen informatie is geactualiseerd in het “Thematisch ambtsbericht situatie christenen en homoseksuelen in Iran” van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2009. Uit deze informatie komt naar voren dat: -de Iraanse autoriteiten het homoseksuelen in Iran het zo goed als onmogelijk maken om aan hun seksuele geaardheid uiting te geven; -verregaande opsporingsmethoden niet geschuwd worden; -homoseksuelen steeds vaker slachtoffer van de zedenpolitie zijn; -homoseksuelen op oneigenlijke gronden gearresteerd en vervolgd worden; -het in meer gevallen dan voorheen komt tot een rechtszaak; -homoseksuelen (kunnen) worden veroordeeld tot lijfstraffen of de doodstraf. Voor verzoeker, thans 19 jaar, betekent dit dat hij in Iran zijn homoseksualiteit niet kan beleven zonder dat hij een reëel en substantieel risico loopt om door de Iraanse autoriteiten te worden vervolgd en bestraft, waarbij de doodstraf niet is uitgesloten. Gelet op het vorenstaande kan verweerder zonder nadere motivering niet worden gevolgd in zijn standpunt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran voor vervolging te vrezen heeft dan wel dat hij bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. De omstandigheid dat de autoriteiten niet op de hoogte zijn van verzoekers geaardheid en die enkele geaardheid niet strafbaar is, doet aan het voorgaande niet af. Van niemand kan verlangd worden dat hij zijn seksuele geaardheid, een wezenlijk onderdeel van iemands identiteit, verborgen houdt. Overigens is dit ook in verweerders beleid in C2/2.10.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) opgenomen. Ter zitting heeft verweerder in het kader van artikel 3 EVRM nog betoogd dat verzoeker als homoseksueel afkomstig uit Iran weliswaar behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep, maar dat hij niet met bijkomende individuele kenmerken aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëeel risico loopt op een bij artikel 3 EVRM verboden behandeling. Hierin volgt de voorzieningenrechter verweerder niet. Verwezen wordt naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraken van 3 juli 2008 en van 8 juni 2009 leidt de voorzieningenrechter uit de jurisprudentie van het EHRM af dat, indien een vreemdeling deel uitmaakt van een groep die doelwit is van ernstige mensenrechtenschendingen, informatie over de situatie van die groep en de mate waarin die groepbescherming kan bieden of vinden tegen zodanige mensenrechtenschendingen, uitdrukkelijk meegewogen moet worden bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM en die informatie een groter gewicht moet krijgen naarmate bedoelde situatie ernstiger is gebleken, bijvoorbeeld indien hieruit blijkt dat leden van die groep systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval kan aan het deel uitmaken van de desbetreffende groep dan doorslaggevende betekenis toekomen. Uit de informatie in het hierboven genoemde ambtsbericht van mei 2009 blijkt dat homoseksuelen in een dermate kwetsbare positie verkeren dat degenen die tot die groep behoren enkel vanwege hun seksuele geaardheid doelwit zijn van ernstige mensenrechtenschendingen en dat zij daartegen geen bescherming kunnen krijgen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en daarom in strijd is met artikel 3:46 Awb.Beroep gegrond, afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl