Rb. 's-Gravenhage 18 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK8417
Ten aanzien van het opleggen van boetes bevat de Wav stingente bepalingen. In artikel 18 is bepaald welke de beboetbare feiten zijn en in artikel 19a is bepaald dat een boete kan worden opgelegd indien sprake is van het niet-naleven van een verplichting voortvloeiend uit deze wet voorzover het niet-naleven is aangeduid als een beboetbaar feit. Dit betekent dat slechts indien artikel 2, eerste lid, van de Wav ruim moet worden opgevat - zonder vergunning voor de desbetreffende arbeid (zoals het tweede lid ook bepaalt) - hier een bevoegdheid tot boete-oplegging bestaat. De rechtbank stelt vast dat deze ruime uitleg niet afgeleid kan worden uit de MvT nu daarin geen passage is opgenomen die dit expliciet onderschrijft. De rechtbank acht de door verweerder gegeven uitleg van artikel 2 van de Wav evenwel niet onredelijk. Hierbij is van belang dat blijkens de MvT een belangrijke doelstelling van de wetgever is geweest adequaat te kunnen optreden tegen het goedkoop laten verrichten van reguliere arbeid door vreemdelingen met verdringing van prioriteit genietend aanbod als gevolg. Deze doelstelling zou in vergaande mate worden doorkuist indien de stelling van eiseres moet worden gevolgd dat de afgifte van een tewerkstellingsvergunning reeds af zou doen aan de bevoegdheid een boete op te leggen wegens schending van artikel 2 van de Wav in het geval later blijkt dat de verrichte werkzaamheden niet (geheel) overeenkomen met de aan de vergunning gekoppelde beperking. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl