Rb. 's-Gravenhage 18 december 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7001

Eiser vordert onder meer gebod tot het doen van een overleveringsverzoek van Nederland aan de bevoegde Spaanse autoriteiten teneinde eiser in Nederland te vervolgen voor de vermeende gepleegde misdaden tegen de menselijkheid. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat gedaagde volledige rechtsmacht heeft om een strafvervolging tegen eiser in te stellen ter zake de feiten waarvoor Argentinië de uitlevering heeft verzocht, stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij gedaagde, meer in het bijzonder het openbaar ministerie, het vervolgingsmonopolie rust en hem dientengevolge een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de vraag of een strafvervolging moet worden ingesteld of achterwege dient te blijven. De beslissing dienaangaande kan de voorzieningenrechter in kort geding in beginsel slechts marginaal toetsen. De in rechtsoverweging 3.3 besproken belangen tegen elkaar afwegend, met in achtneming van voornoemd toetsingskader, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen overleveringsverzoek bij de Spaanse autoriteiten in te dienen, teneinde eiser in Nederland te vervolgen, maar de vervolging van eiser vooralsnog over te laten aan Argentinië. De vorderingen worden daarom afgewezen.Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat, hoewel een terugkeergarantie van eiser naar Nederland – om daar zijn eventueel opgelegde straf ten uitvoer te leggen – niet rechtens afdwingbaar is, het gedaagde wel zou sieren, indien hij via diplomatieke kanalen zou trachten een terugkeergarantie voor eiser bij de Argentijnse autoriteiten te bedingen. Redengevend daartoe is, naar gedaagde ter zitting erkende, de medewerking die gedaagde gegeven heeft aan aanhouding van eiser in Spanje nadat gedaagde eisers uitlevering aan Argentinië geweigerd had, omdat eiser (ook) de Nederlandse nationaliteit bezit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen