Rb. 's-Gravenhage 20 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4919

AC-procedure / Centraal Irak / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / uitzonderlijke situatie / motivering Asiel. Irak. Beroep op 15C Definitierichtlijn. UNHCR Eligibility guidelines. Motivering. AC-procedure. Het betreft een vreemdeling uit Baquba (provincie Diyala). De voorzieningenrechter volgt niet het standpunt van verweerder, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM inzake F.H. tegen Zweden van 20 januari 2009 (LJN: BH3275), dat de situatie in de vijf provincies, waaronder Diyala, onveranderd is ten opzichte van de situatie waarover het EHRM al geoordeeld heeft dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie. Bij dit oordeel van het EHRM is onder meer informatie betrokken uit het ‘Addendum to UNHCR’s Eligibility guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-seekers’ (Addendum) van december 2007. Uit vergelijking van de Eligibility guidelines van april 2009 met het Addendum van december 2007 valt niet eenduidig af te leiden dat in Irak en meer specifiek in Diyala de situatie als identiek, of zelfs beter, is beoordeeld in het rapport van april 2009 ten opzichte van het rapport van december 2007. Bovendien heeft het EHRM (dit is een misslag, bedoeld is het Hof van Justitie) in de uitspraak van 17 februari 2009 (Elgafaji), waar verweerder zich ook op heeft beroepen, uitsluitend de situatie in Irak (als geheel) en in Bagdad beoordeeld, maar is niet ingegaan op de specifieke situatie in de noordelijke provincies van Centraal Irak, zoals in het onderhavige geval. Ook om die reden vormt de verwijzing naar het oordeel van het EHRM in die genoemde zaak zonder nadere toelichting geen toereikende motivering van het standpunt dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen