Rb. 's-Gravenhage 5 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4687
Voor de vraag hoe de belastingkorting voor een verlies uit aanmerkelijk belang moet worden bepaald oordeelt de rechtbank dat de tekst van de desbetreffende wettelijke bepalingen geen andere gevolgtrekking toelaat dan dat de gecombineerde inkomensheffing, als bedoeld in artikel 8.8 van de Wet IB 2001, het totaal is van de inkomensheffing over de belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen, na vermindering met de korting ab en vóór aftrek van de heffingskorting. Omdat in casu de gecombineerde heffingskorting, vóór toepassing van artikel 8.8 van de Wet IB 2001, € 1.894,- bedraagt en de inkomensheffing over het belastbare inkomen uit werk en woning, vóór vermindering met de korting ab, € 3.656,- bedraagt is het laatstgenoemde bedrag het bedrag dat, ingevolge artikel 2.11a van de Wet IB 2001, wordt verminderd met de nog te verrekenen korting voor verlies uit aanmerkelijk belang. De gecombineerde inkomensheffing is in casu dus nihil, zodat de gecombineerde heffingskorting door de werking van artikel 8.8 van de Wet IB 2001 wordt beperkt tot nihil en eiser in aanmerking komt voor verhoging van de heffingskorting ingevolge artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl