Rb. 's-Gravenhage 9 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4427

Ongewenstverklaring / verruimde redelijke termijn voor indienen aanvraag verlenging verblijfsvergunning / relevante wijzing van het recht Eiser is ongewenst verklaard. De rechtbank heeft eerder overwogen dat verweerder bevoegd was, gelet op de door eiser gepleegde misdrijven en het feit dat hij ten tijde van het besluit tot ongewenstverklaring nog geen aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning had ingediend, en dus geen rechtmatig verblijf had, om tot ongewenstverklaring over te gaan. Omdat uit het besluit niet bleek dat, en op welke wijze, verweerder, bij de beoordeling van artikel 8 EVRM en de toetsing aan de zogeheten Boultif-criteria, de duur van eisers verblijf in zijn besluitvorming had betrokken, is het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in rechte vaststaat dat verweerder bevoegd was tot ongewenstverklaringing over te gaan, niet betekent dat een nadien totstandgekomen wijziging in het recht, die (mogelijk) een ander licht werpt op de bevoegdheid tot ongewenstverklaring, buiten de hernieuwde beoordeling dient te blijven. De verruimde redelijke termijn is een wijziging van het recht. Daarnaast kan niet gezegd worden dat deze wijziging relevantie mist, nu eiser binnen een termijn van twee jaar na afloop van zijn verblijfsvergunning een verlengingsaanvraag heeft ingediend, artikel 3.86 Vb 2000 daardoor van toepassing is en, gelet op eisers lange verblijf in Nederland, het de vraag is of hem, met toepassing van de in artikel 3.86, tweede lid, Vb 2000 opgenomen norm, voortgezet verblijf kan worden geweigerd. Daarbij is niet zonder betekenis dat verweerder in een eerder besluit heeft overwogen dat, gelet op de door eiser gepleegde misdrijven en de opgelegde straffen in verhouding tot de verblijfsduur in Nederland, het niet mogelijk is gebleken zijn verblijfsvergunning met inachtneming van de glijdende schaal in te trekken. Op het betoog dat de verlengingsaanvraag binnen de (gewijzigde) redelijke termijn is ingediend, is verweerder niet ingegaan. Daaruit volgt dat het besluit een draagkrachtige motivering ontbeert en niet met de in acht te nemen zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Beroep gegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen