Rb. 's-Gravenhage 30 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4199

Vreemdelingenbewaring / meldplicht/ vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56, eerste lid, Vw 2000 / beroep tegen het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregel. Het beroep gericht tegen de meldplicht op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000, is niet-ontvankelijk. Verweerder zal het beroep als bezwaar in behandeling dienen te nemen. Het beroepschrift is buiten de wettelijke beroepstermijn van vier weken ingediend. Hoewel geen beroepstermijn onder het besluit was opgenomen, is niet gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Voor zover het beroep is gericht tegen het opleggen van de maatregel, is het niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank volgt evenwel uit artikel 93, tweede lid, Vw 2000 en uit het stelsel van de wet, waarin wordt gestreefd naar een adequate rechtsbescherming van vreemdelingen aan wie vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregelen worden opgelegd, dat ook tegen het voortduren van de maatregel van artikel 56 Vw 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld kan worden. De omstandigheid dat hiervoor geen afzonderlijke procedure in de wet is opgenomen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In het licht hiervan kan het door de gemachtigde van eiser op 13 oktober 2009 ingediende beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56, eerste lid, Vw 2000 tevens worden aangemerkt als een beroep tegen het voortduren van de maatregel. Gelet op de in dit geval aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden en het daaraan ontleende risico op onttrekking aan het toezicht, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de maatregel bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid langer mogen laten voortduren dan de in het beleid gestelde termijn van twaalf weken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen