Rb. 's-Gravenhage 15 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1446

Verblijfsvergunning / ongewenstverklaring Verblijfsvergunning: Nu verzoeker bij besluit van 14 mei 2009 ongewenst is verklaard, welke ongewenstverklaring voortduurt, kan hij met het onderhavige bezwaar niet bewerkstelligen dat aan hem alsnog rechtmatig verblijf wordt verleend. Verzoeker heeft onder deze omstandigheden dan ook geen belang bij een beoordeling van het bezwaar. Bezwaar niet-ontvankelijk, verzoek afgewezen. Ongewenstverklaring: Het bestreden besluit geeft geen blijk geeft van een toetsing en belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM conform het in B2/10 Vc neergelegde beleid en de daarin opgenomen criteria. Verzoeker heeft voorshands aannemelijk gemaakt dat de band tussen hem en zijn familie zo bijzonder is dat moet worden aangenomen dat van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende bijzondere afhankelijkheid sprake is. Ter zitting is gebleken dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat aanvullende stukken door verzoeker mogen worden ingebracht. Voorts heeft verweerder aangegeven dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden nog in de besluitvorming en beslissing op bezwaar zullen worden meegenomen. Dit gegeven, gevoegd bij de uitvoerige gronden van het bezwaar in het kader van artikel 8 EVRM, vormt voor voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring te schorsen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist, waarbij verzoeker in de bezwaarfase nog de nodige onderbouwing van zijn beroep op artikel 8 EVRM kan verzorgen. Dat betekent in ieder geval dat verzoeker gedurende deze periode niet mag worden uitgezet. Het is aan het openbaar ministerie en eventueel de strafrechter om te bepalen welke strafrechtelijke consequenties aan de bestuursrechtelijke schorsing van de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring dienen te worden verbonden. Uit het systeem van de wet en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt voorts dat een ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben. Ook de toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening op grond waarvan uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven, levert geen rechtmatig verblijf op, omdat ingevolge het bepaalde in artikel 67, derde lid, Vw, een ongewenst verklaarde vreemdeling, in afwijking van artikel 8 Vw (derhalve ook in afwijking van artikel 8, aanhef en onder h, Vw), geen rechtmatig verblijf kan hebben.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen