Rb. 's-Gravenhage 14 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0571
Grensoverschrijdende handel in heroïne. Gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek. 1. Ontvankelijkheid openbaar ministerie Voor het kunnen slagen van een beroep op de onrechtmatigheid van het vergaarde bewijsmateriaal is vereist dat door of namens de verdachte feiten en omstandigheden worden aangevoerd die, indien juist, leiden tot de slotsom dat het bewijs inderdaad onrechtmatig is verkregen. Onvoldoende is dat alleen maar wordt betoogd dat het bewijs mogelijk onrechtmatig is vergaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman dergelijke feiten en omstandigheden niet aangevoerd, zodat geen sprake is van een duidelijk en gemotiveerd verweer. 2. Bewijs De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij het vervoer van de heroïne. Voorts komt de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van de verdachte [A]. [B] en [C] eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is van opzet op het medeplegen van de poging tot uitvoer, waarvoor de rechtbank redengevend acht dat verdachte [C] een deel van het geld meenam uit Groot-Brittannië en verdachte [B] en [A] hem tegemoet reden met de heroïne, kennelijk om het aan hem over te dragen, terwijl [C] weer terug zou gaan naar Groot-Brittannië
De uitspraak op rechtspraak.nl