Rb. 's-Gravenhage 17 september 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ7974

Vreemdelingenwet 67 / EVRM 3, 8 / Awb 4:84 / verblijfsvergunning / ongewenstverklaring / gezinsleven / inbreuk / uitzonderingsbeleid Schipholbrand / feitelijke handeling Verzoeker is ongewenst verklaard en een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen. Voorts is bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting. Verzoeker is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden voor zijn aandeel in de zogenoemde Schipholbrand. De voorzieningenrechter oordeelt dat hij vanwege deze veroordeling geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning vanwege het bijzondere beleid inzake slachtoffers van de Schipholbrand, nu verweerder de (toen nog) verdachte van dit bijzondere beleid heeft willen uitzonderen in afwachting van een uitspraak in de strafzaak. De inbreuk die verweerder met de ongewenstverklaring maakt op het gezinsleven van verzoeker is gerechtvaardigd, nu het belang van de Staat zwaarder weegt. Er is geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Libië uit te oefenen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat de partner van verzoeker, ondanks dat zij door verweerder is vrijgesteld van het paspoortvereiste, geen toegang tot Libië zal krijgen nu daartoe geen pogingen zijn ondernomen. Beroep op artikel 4:84 van de Awb faalt, nu verweerder in het beleid reeds rekening heeft gehouden met de bijzondere positie van verzoeker. De door verzoeker gestelde traumatische ervaringen zijn in het bijzondere beleid verdisconteerd. Het betoog van verzoeker dat hij belang heeft bij het bijwonen van de nog lopende procedures inzake de afwikkeling van de Schipholbrand en dat ongewenstverklaring daarom achterwege moet blijven wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Voor zover zijn aanwezigheid bij deze procedures noodzakelijk is, kan hij daartoe een verzoek indienen om de ongewenstverklaring tijdelijk op te heffen, zoals is voorzien in artikel 6.7 van het Vb. In de asielprocedure van eiser is reeds geoordeeld dat er bij terugkeer van verzoeker naar Libië geen risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM. Verzoeker heeft thans geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie zouden moeten leiden. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd is onvoldoende geconcretiseerd naar de persoon van verzoeker. Verzoeken afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen