Rb. 's-Gravenhage 25 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ6452

Irak, Definitierichtlijn, uitzonderlijke situatie en categoriaal beschermingsbeleid. De rechtbank verstaat de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en de Afdeling aldus dat een vreemdeling, indien hij een ongeloofwaardig relaas heeft, geen aanspraak kan maken op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn, tenzij de vreemdeling afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat die vreemdeling die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op schade bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c van de richtlijn. Nu, zoals hiervoor door de rechtbank is geoordeeld, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser niet geloofwaardig is, heeft eiser, gelet op voornoemde jurisprudentie, geen aanspraak op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de richtlijn, tenzij hij afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals voornoemd. Daarom rest de vraag of ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 24 december 2008 de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict op dat moment in Irak in het algemeen en in Khanaqin in het bijzonder dermate hoog was, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico liep op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon. Uit het ambtsbericht van 26 juni 2008 volgt dat de veiligheidssituatie in Irak aan het verbeteren is. Hoewel de veiligheidssituatie in Irak slecht en onverminderd van grote zorg is, is de rechtbank van oordeel dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict ten tijde van het bestreden besluit ( 24 december 2008) in Irak in het algemeen en in Khanaqin in het bijzonder niet dermate hoog was, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico liep op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon. De door eiser overgelegde rapporten, weliswaar in het kader van zijn beroep op een verblijfsvergunning op grond van het categoriaal beschermingsbeleid, leiden niet tot een ander oordeel, omdat niet is gesteld, noch is gebleken dat uit die stukken volgt dat de mate van het willekeurig geweld ten tijde van het bestreden besluit dermate hoog was dat sprake was van een uitzonderlijke situatie zoals voornoemd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen