Rb. 's-Gravenhage 18 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5782

Herhaalde aanvraag / Irak / Kirkuk / ambtsberichten juni 2009 en UNHCR rapport van april 2009 De rechtbank is van oordeel dat de door eiser naar voren gebrachte verslechterde situatie in Kirkuk, als omstandigheid moet worden beschouwd, waarvan, gezien het rapport van de UNHCR van april 2009, niet op voorhand is uitgesloten dat dit kan afdoen aan de eerdere afwijzing van eisers asielaanvraag. Dit betekent dat het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de rechtbank kunnen worden getoetst als ware het een eerste aanvraag. Hieruit volgt eveneens dat verweerder eisers aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgedaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de in het ambtsbericht van juni 2008 beschreven verslechterde situatie in Kirkuk en voorts gelet op de door de UNHCR in zijn rapport van april 2009 geconstateerde veiligheidsrisico’s in dit gebied, onvoldoende heeft gemotiveerd dat in december 2008 geen sprake was van een uitzonderlijke situatie, waarin eiser geen individuele kenmerken aannemelijk zou hoeven maken. De uitspraak van de ABRS van 25 mei 2009 staat aan dit oordeel van de rechtbank niet in de weg, reeds omdat de ABRS in die zaak een besluit uit 2006 heeft beoordeeld. Daarnaast was in die zaak geen beroep gedaan op het rapport van de UNHCR van april 2009.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen