Rb. 's-Gravenhage 21 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4477
Eiseres, een werkmaatschappij, heeft aan haar directeuren pensioenrechten toegekend en de opbouw daarvan in eigen beheer gehouden. Per 1 januari 2004 heeft eiseres de pensioenverplichtingen overgedragen aan de personal holdings van de directeuren. Bij het bepalen van de overdrachtsprijzen, die hoger zijn dan de gepassiveerde pensioenverplichtingen, is rekening gehouden met een na-indexatie van 2 procent, een rekenrente van 4 procent en een kostenopslag. Het verschil tussen de overdrachtsprijzen en de boekwaarde van de pensioenverplichtingen per 31 december 2003 (hierna: de indexatielast) heeft eiseres ten laste van haar winst over 2004 gebracht, wat door verweerder is geweigerd. De rechtbank overweegt dat van elk voordeel dat tot de totaalwinst behoort, ook een voordeel dat wordt behaald bij de overdracht van een activum of passivum aan een derde, moet worden bepaald in welk jaar het voordeel in aanmerking moet worden genomen. Deze toerekening dient te geschieden volgens de regels van goed koopmansgebruik, met inachtneming van de daarvoor geldende specifieke en mogelijkerwijs daarvan afwijkende wettelijke bepalingen. Omdat de indexatielast ziet op prijswijzigingen (na-indexatie) na afloop van het kalenderjaar en de personal holdings geen lichamen zijn als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wet IB 2001 kan de indexatielast niet in 2004 in aanmerking kan worden genomen. Voor de stelling van eiseres dat artikel 3.27 van de Wet IB 2001 alleen ziet op gevallen waarin een pensioenvoorziening nog voor rekening en risico komt van de belastingplichtige, is in de tekst van dat artikel geen steun te vinden. Beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl