Rb. 's-Gravenhage 24 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4327

1 (F) Vluchtelingenverdrag / OMON / personal participation onvoldoende gemotiveerd Aan eiser is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen in verband met zijn werkzaamheden voor de speciale politie-eenheid OMON van Azerbeidzjan. Uitgangspunt is dat de bewijslast om aan te tonen dat sprake is van ‘personal participation’ aan de zijde van verweerder rust. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de aan eiser tegengeworpen handelingen onder de omschrijving van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen vanwege de omstandigheid dat zij gericht waren tegen de burgerbevolking, dan wel niet-strijdende partijen. Indien eisers handelingen niet gericht zouden zijn geweest tegen de burgerbevolking, maar plaatsvonden in het kader van de gewapende strijd, dan is artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag volgens verweerder niet aan de orde. Verweerders standpunt dat ten aanzien van eiser sprake is van ‘personal participation’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd, omdat het door verweerder uitgevoerde bronnenonderzoek naar de misdrijven die zijn gepleegd tijdens het gewapend conflict in Nagorno-Karabach in de periode dat eiser voor de OMON werkte de rechterlijke toets niet kan doorstaan én omdat uit de - door verweerder doorslaggevend geachte - verklaringen die eiser heeft afgelegd, niet eenduidig is op te maken of de zuiveringsacties waaraan eiser heeft deelgenomen waren gericht tegen de Armeense bevolking (etnische zuiveringen), dan wel tegen rebellen. Voor het met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb herroepen van het besluit tot ongewenstverklaring door de rechtbank is geen plaats nu het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek is vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen