Rb. 's-Gravenhage 22 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3730
De rechtbank neemt als vaststaand aan dat verdachte zich, samen met zijn mededaders, heeft schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van zeer grote geldbedragen. De wijze waarop die verduistering heeft plaatsgevonden leidt er bovendien toe dat ten laste van verdachte bewezen is verklaard dat zulks is geschied in het kader van een criminele vereniging, waarvan verdachte deel heeft uitgemaakt, alsmede dat verdachte schuldig is aan valsheid in geschrift, witwassen en het medeplegen van het (kort gezegd) benadelen van rechtspersonen.[..]Ten aanzien van verdachte geldt dan nog in het bijzonder, dat juist hij als bestuurder en daarmee toezichthouder op het (ook financiële) gebeuren binnen de stichting verantwoordelijk was voor het nastreven van de doelstellingen van de stichtingen. [..]Ten laste van verdachte wordt verder acht geslagen op de omstandigheid dat hij door zijn houding ter terechtzitting er in een zelden waargenomen mate van heeft blijk gegeven niet te beschikken over enig besef van of zelfs maar een begin van inzicht in het verwerpelijke en strafwaardige karakter van zijn handelingen. Verdachte hamert slechts op zijn vermeende grote kwaliteiten als bestuurder en P&O-deskundige en beschouwt zich als slachtoffer van een justitiële hetze, zonder dat bij hem vermag door te dringen dat hij en zijn mededaders ernstig nadeel hebben toegebracht niet alleen aan de andere Sham-stichtingen, maar ook en juist aan diegenen die via het realiseren van de doelstellingen van die stichtingen baat hadden moeten hebben bij het geld dat overbleef.
De uitspraak op rechtspraak.nl