Rb. 's-Gravenhage 30 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3598

Betreft naheffingaanslag omzetbelasting (OB). Eiseres handelt in onroerende zaken. Aan eiseres is op 5 januari 2000 de onverdeelde helft van een pand geleverd. Eiseres en de leverancier N hebben daarbij geopteerd voor belaste levering. N heeft de units waaruit het pand bestaat belast met omzetbelasting verkregen in 1996 en 1999. Eiseres heeft het pand vanaf april 2000 belast verhuurd. Het pand is vervolgens omstreeks 4 juli 2000 vrijgesteld geleverd aan een derde. Gelet hierop hebben eiseres en N ten onrechte geopteerd. De omzetbelastinggevolgen van de belaste levering moeten derhalve worden teruggedraaid. De omstandigheid dat hier ten onrechte is geopteerd heeft ook tot gevolg dat de door N in verband met de onroerende zaak in aftrek gebrachte omzetbelasting moet worden herzien. In geschil is of die herzienings-BTW bij eiseres kan worden nageheven op grond van artikel 12a Wet OB 1968. De vraag daarbij is of die herzienings-BTW valt onder ‘de belasting die in verband met die levering in aftrek is gebracht’. De rechtbank is van oordeel dat de woorden 'in verband met die levering' in artikel 12a van de Wet niet slechts de betekenis hebben van direct in verband met de verkoop van N aan eiseres samenhangende kosten, maar dat die woorden zien op alle voorbelasting die aan de leverancier N in rekening is gebracht om de levering te kunnen verrichten en derhalve ook zien op de voorbelasting ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak door de leverancier N. Naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen