Rb. 's-Gravenhage 10 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3177

Eerwraak / Kosovo / bescherming door de autoriteiten Eisers, afkomstig uit Kosovo, hebben aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij hun land hebben verlaten omdat zij vrezen vermoord te worden door hun families omdat zij op de dag dat eiseres zou gaan trouwen met de broer van eiser, aan wie zij was uitgehuwelijkt, samen zijn gevlucht en nu een relatie hebben. De geloofwaardigheid van de door eisers afgelegde verklaringen is niet in geschil. Ten aanzien van eiseres heeft verweerder betwist dat zij te vrezen heeft voor eerwraak. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Kosovo van december 2006 (hierna: het ambtsbericht), waarop verweerder zich heeft beroepen, volgt dat in geval van bloedwraak vrouwen volgens de regels van de kanun expliciet zijn uitgesloten van vergeldingsacties. Tussen partijen is echter niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaken geen sprake is van (het risico van) bloedwraak, maar van (het risico van) eerwraak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet enkel op basis van voormelde passage in het ambtsbericht, zonder nadere motivering, kunnen concluderen dat ook in geval van eerwraak vrouwen volgens de regels van de kanun zijn uitgesloten van vergeldingsacties. Uit het door eisers overgelegde rapport van Amnesty International van maart 2006 getiteld “Albania - Violence against women in the family: It`s not her shame” blijkt dat in de praktijk wel vergeldingsacties plaatshebben. Nu verweerder niet heeft weersproken dat eiser te vrezen heeft voor eerwraak van de zijde van zijn familie en die van eiseres en verweerder niet voldoende gemotiveerd heeft onderbouwd waarom dit voor eiseres volgens de regels van de kanun, zoals toegepast in de praktijk, anders zou zijn, dient te worden aangenomen dat ook eiseres te vrezen heeft voor eerwraak van de zijde van haar familie en die van eiser. Eisers hebben in de zienswijzen, en herhaald in de beroepschriften en ter zitting, aangegeven dat de bescherming tegen eerwraak in Kosovo permanent (dat wil zeggen: dag en nacht) en zeer langdurig geboden zal moeten worden. Verweerder heeft dit in de bestreden besluiten en ter zitting niet betwist. Door te wijzen op het enkele gegeven dat er een politie- en justitieapparaat in Kosovo bestaat en de omstandigheid dat één geval bekend is waarin een aantal mannen tijdelijk bescherming is geboden, heeft verweerder in het licht van hetgeen eisers hebben aangevoerd onvoldoende onderbouwd dat in het algemeen door de autoriteiten in Kosovo, dan wel door andere actoren, bescherming kan worden geboden met een aard, omvang, intensiteit en duur zoals bij eerwraak is vereist. De beroepen zijn dan ook gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen