Rb. 's-Gravenhage 23 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0893

Partner gemeenschapsonderdaan, procesbelang, paspoortvereiste, 8 EVRM Nu niet uitgesloten is dat de vraag of eiser ten tijde van zijn relatie met de gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf had, relevant is voor de beoordeling van het recht op verblijf bij zijn huidige partner, in het bijzonder gelet op artikel 8 EVRM, neemt de rechtbank procesbelang aan. In Richtlijn 2004/38 en art. 8.13, derde lid van het Vb, is opgenomen dat voor de afgifte van een verblijfskaart een geldig paspoort is vereist. Niet in geschil is dat de identiteit tevens op andere, ondubbelzinnige wijze kan worden aangetoond. Eiser is hier niet in geslaagd. Niet valt uit te sluiten dat de omstandigheid dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet over een paspoort of ander document ter vaststelling van de identiteit kan beschikken relevant kan zijn bij de beantwoording van de vraag of hij op ondubbelzinnige wijze zijn identiteit heeft aangetoond. Eiser heeft echter niet onderbouwd dat hij niet meer in het bezit kan worden gesteld van een dergelijk document. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM kan niet slagen. Voor zover eiser betoogt dat het stellen van het identiteitsvereiste in strijd is met artikel 8 van het EVRM wordt dit, gelet op de hiervoor neergelegde interpretatie van dit vereiste, niet gevolgd door de rechtbank. Voor zover het beroep van eiser op dit artikel op andere gronden steunt, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag doen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen