Rb. 's-Gravenhage 17 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI9932
Interpretatie van de verrekenbepaling van artikel 32, derde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in geval van aan de advocaat toekomende vergoedingen. Ingevolge artikel 7:15 Awb in bezwaar of artikel 7:28 Awb in administratief beroep ingediende verzoeken om vergoeding van proceskosten worden altijd door of namens de belanghebbende (cliënt) ingediend. De door een bestuursorgaan op een dergelijk verzoek toegekende proceskostenvergoeding kan dus nooit toekomen aan de advocaat. Een bij het besluit op bezwaar gebruikt tekstblok, waarin de proceskostenvergoeding wel aan de advocaat wordt toegekend, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het is in strijd met het willekeurverbod indien een dergelijke tekst bepalend is voor de vraag aan wie de proceskostenvergoeding toekomt. De rechtbank wijkt hiermee af van standaard-jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De beroepen van de advocaat tegen de in bezwaar in stand gebleven verrekeningsbeslissingen, waarbij de ontvangen proceskostenvergoeding door de Raad voor Rechtsbijstand in mindering is gebracht op de vergoeding van de advocaat, zijn gegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl