Rb. 's-Gravenhage 24 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI9647
Eiser heeft in 2006 ruim vijf maanden in uitleveringsdetentie doorgebracht in Braziliaanse gevangenissen. Op 19 juli 2007 is hij door de rechtbank 's-Gravenhage veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Tegen dit vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist. In dit kort geding vordert eiser primair te bepalen dat hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld en subsidiair te bepalen dat hij binnen zeven dagen na heden ingevolge artikel 15 lid 5 van de Penitentiaire beginselenwet zal worden geplaatst in een voor hem geschikte GGz-kliniek die gespecialiseerd is in de behandeling van PTSS (posttraumatische stressstoornis). De voorzieningenrechter verklaart eiser in zijn primaire vordering niet-ontvankelijk omdat eiser zich op grond van artikel 69 Sv kan wenden tot de raadkamer van het hof aangaande zijn vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling. De vraag of gedaagde onrechtmatig handelt door eiser niet over te plaatsen naar een psychiatrische kliniek is al in eerdere vonnissen beoordeeld. De specifieke vraag of de weigering van eiser om de aangeboden behandeling te accepteren voortkomt uit de PTSS is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter vooralsnog onvoldoende aan de orde geweest tijdens de behandelingen leidend tot de in het vonnis bedoelde uitspraken. Alvorens verder te beslissen stelt de voorzieningenrechter gedaagde in de gelegenheid zich uit te laten over de vraag of het mogelijk is dat de weigering van eiser om behandeld te worden voortkomt uit zijn stoornis. De zaak wordt hiervoor pro forma aangehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl