Rb. 's-Gravenhage 3 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8797
Richtlijn 2003/109/EG (langdurig ingezetenen) / Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene" Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn is de Richtlijn niet van toepassing op onderdanen van derde landen die in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, (…), of in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is. In geschil is de vraag of eiser, die beschikt over een verblijfsvergunning met als beperking ‘godsdienstleraar’, op grond van voornoemd artikel is uitgesloten van de toepassing van de Richtlijn. Verweerder voert aan dat eisers verblijfsvergunning naar zijn aard weliswaar niet als tijdelijk is te beschouwen maar op grond van artikel 3.5 van het Vb 2000 toch als tijdelijk wordt aangemerkt en daarom, als zijnde een formeel beperkte verblijfsvergunning, van het bereik van de Richtlijn dient te worden uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eisers verblijfsvergunning naar zijn aard niet als tijdelijk is te beschouwen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat er evenmin sprake is van een formeel beperkte verblijfsvergunning. Gezien de bewoordingen, de preambule en de totstandkominggeschiedenis van de Richtlijn is een situatie waarbij de aard van het verblijf niet als tijdelijk is te beschouwen en de duur van het verblijf niet bij voorbaat is gemaximeerd, niet uitgesloten van de werking van de Richtlijn. Het door verweerder gehanteerde beleid in B1/7.1.2 van de Vc 2000 als ook het bepaalde in artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 is in zoverre dan ook onverbindend.
De uitspraak op rechtspraak.nl