Rb. 's-Gravenhage 3 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8206
Beroepen tegen verlenging advocatenstage wegens deeltijdarbeid en tegen afwijzing verzoek om verkorting advocatenstage. Het beroep van eiseres op het buiten toepassing laten van artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, van de Advocatenwet wegens strijd met Europeesrechtelijke bepalingen betreffende gelijke behandeling wordt verworpen. Anders dan de Commissie gelijke behandeling in haar oordeel van 27 juli 2001 (2001-68) is de rechtbank van oordeel dat er in geval van verlenging van de advocatenstage wegens deeltijdarbeid geen ruimte is voor een individuele toets als bedoeld in de arresten Nimz en Kording van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. De dwingendrechtelijk voorgeschreven verlenging in geval van deeltijdarbeid levert indirecte discriminatie op, maar daarvoor bestaat een objectieve rechtvaardiging in de waarborging van de kwaliteit van de beroepsopleiding van advocaten door advocaat-stagiaires gedurende een wettelijk vastgestelde periode werkzaam te laten zijn onder toezicht van een patroon en onder diens leiding praktijkervaring te laten opdoen. Het zeer terughoudende goedkeuringsbeleid van de Algemene Raad ten aanzien van verzoeken om verkorting van de advocatenstage wordt niet onrechtmatig en niet onredelijk geoordeeld. Nu eiseres niet beschikte over advocatuurlijke voorervaring, bood het beleid geen ruimte voor inwilliging van het verzoek. Beide beroepen zijn ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl