Rb. 's-Gravenhage 28 mei 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7450

Visum kort verblijf / middelen van bestaan / toetsingskader Zoals blijkt uit het derde lid van de SGC in samenhang gelezen met hoofdstuk V van de GVI geldt als uitgangspunt bij de beoordeling van bestaansmiddelen dat rekening gehouden wordt met de duur en het doel van het verblijf, de gemiddelde prijzen voor kost en inwoning in de betrokken lidstaat, vermenigvuldigd met het aantal verblijfsdagen. Voor Nederland is de gemiddelde prijs per verblijfsdag vastgesteld op € 34,00 (norm: 2005). Tevens dient de aanvrager aan te tonen dat hij de terugreis of doorreis naar een derde land kan betalen. Volgens de laatst genoemde regelingen kan dat met contant geld, kredietkaarten of reischeques. Borgstellingen kunnen eveneens als voldoende middelen van bestaan gelden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn in de Vc 2000 gehanteerde criteria een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en er geen blijk van heeft gegeven dat de in de SGC en de GVI geformuleerde regels tot uitgangspunt zijn genomen. Immers noch in de besluitfase, noch in de bezwaarfase is onderzocht of referent beschikt over voldoende contanten. Evenmin is een beoordeling gemaakt van de door eiser te maken kosten, gerelateerd aan de norm zoals gesteld in de bijlage bij de GVI van € 34,00 per dag, gedurende de periode die hij bij zijn broer beoogt te verblijven. In dit verband acht de rechtbank relevant dat eiser kennelijk heeft aangegeven gedurende twee maanden naar Nederland te komen. De conclusie is dat verweerder met de gehanteerde criteria een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5, derde lid van de SGC en hoofdstuk V van de GVI.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen