Rb. 's-Gravenhage 17 april 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI3951
Artikel 4:5 Awb; buiten behandeling stelling; niet betalen leges; betaling ter plekke. In het bestreden besluit is uitdrukkelijk in het midden gelaten of verzoeker de gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd. Verweerder heeft verzoeker enkel het niet voldoen van de leges tegengeworpen. Verweerder heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag volledig te maken onder meer door documenten en bescheiden over te leggen, waaruit blijkt dat hij voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking komt alsmede de verschuldigde leges te voldoen. Niet in geschil is dat verzoeker niet is verschenen, genoemde documenten en bescheiden niet zijn overgelegd en de leges evenmin zijn voldaan. Onderhavige zaak betreft niet de vraag of de leges in persoon door de vreemdeling moeten worden voldaan, maar de omstandigheid dat de leges ter plekke (en niet bijvoorbeeld giraal of per bank) moeten worden betaald. Daarover oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter acht het, in navolging van voornoemde uitspraak van de ABRS van 10 juni 2008, aangewezen dat verweerder zijn beleid op het punt van de wijze van legesinning aanpast. Het ter plekke voldoen van de leges lijkt immers niet te stroken met het niet langer in persoon hoeven te verschijnen om de aanvraag in te dienen (hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter tevens geldt voor het completeren van de aanvraag). Tot die tijd is evenwel het thans vigerende, en niet kennelijk onredelijk te achten, beleid van toepassing. Indien verzoeker niet in persoon wenste te verschijnen om de leges te voldoen, had hij een derde namens hem kunnen sturen om de leges ter plekke te voldoen. De stelling van verzoeker, onderbouwd met een beschikking van verweerder in een andere zaak, waaruit zou blijken dat het sturen van een derde nutteloos zou zijn omdat verweerder betaling door een derde zou weigeren, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om aan te nemen dat ook in het geval van verzoeker betaling door een derde niet geaccepteerd zou worden. Verzoeker heeft immers niet daadwerkelijk getracht een derde namens hem te laten betalen, waarmee dit standpunt onvoldoende aannemelijk gemaakt is. Verzoek afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl