Rb. 's-Gravenhage 19 februari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6961

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het adresseren van zowel de boetekennisgeving als de boetebeschikking aan "Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Rijksgebouwendienst” is terug te voeren op een verschrijving. In haar uitspraak van 23 april 2008 (JB 2008,127) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) ten aanzien van een procedure met min of meer vergelijkbare omstandigheden (het in opdracht van een openbaar lichaam verrichten van onderhoudswerkzaamheden nabij wegen door derden) als die waaronder in het voorliggende geval de overtredingen hebben plaatsgevonden, overwogen grond te zien om de algemene vraag of die immuniteit ook geldt bij het opleggen van een bestuurlijke boete in het midden te laten, aangezien ook in het geval van een bevestigende beantwoording van die vraag op die immuniteit toch geen beroep zou kunnen worden gedaan. De rechtbank ziet geen grond daarover anders te oordelen. De omstandigheid dat anders dan in die uitspraak thans de centrale overheid een bestuurlijke boete is opgelegd noopt daartoe niet. In het voorliggende geval kan de renovatie van een bouwwerk niet betekenen dat de gehele feitelijke uitvoering van dit werk valt onder de strafrechtelijke immuniteit van de Staat en zijn onderdelen. Voor eiser geldt dat hij met het inroepen van bestuurlijke verantwoordelijkheid voor een bouwwerk, niet welbewust heeft besloten tot het laten verrichten van werkzaamheden in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav. In tegendeel in het boeterapport (Bijlage 3) is een verklaring opgenomen dat de aannemers aan wie het project was gegund bekend waren met de Wav. Uit de uitspraak (HR 3 maart 1998, VR 1998, 130 en RAwb 1998, nr. 142, ) kan worden afgeleid dat de bijzondere wetgever in beginsel zelf kan bepalen dat bepaalde boeten ook kunnen worden opgelegd aan centrale en decentrale overheden die beboetbare feiten plegen, ook als zij dat doen in de uitoefening van een exclusieve overheidstaak. Uit het boeterapport blijkt dat de vreemdeling ten dienste van eiser arbeid heeft verricht. Verweerder heeft eiser daarom terecht als werkgever in de zin van de Wav is aangemerkt. Voorts is ook bij opdrachtgevers niet zijnde openbare lichamen het uitbesteden van opdrachten voor grote projecten aan derde-ondernemingen zo gebruikelijk, dat niet valt in te zien waarom van eiser niet kan worden gevergd de verplichtingen ingevolge de Wav na te leven. Het betoog faalt. Eiser heeft bestreden dat de boete de toets aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. Daartoe heeft hij er op gewezen dat het controleren van de wijze waarop bouwprojecten worden uitgevoerd niet tot de dagelijkse werkzaamheden behoort van een ministerie, maar dat contractueel wel aandacht wordt besteed aan de naleving van de Wav bij zowel de opdrachtnemer als ingeschakelde aannemers . Verder wordt naleving gestimuleerd door het agenderen van “tewerkstelling van vreemdelingen” bij elke bouwvergadering. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overtreding eiser kan worden verweten en van eiser verdergaand toezicht op de naleving van de Wav mag worden gevergd. Voor matiging is geen aanleiding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen