Rb. 's-Gravenhage 2 februari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3861
Buitenbehandelingstelling: de enige grond is het niet in persoon indienen van de aanvraag De rechtbank constateert dat verweerder de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld op grond van artikel 4:5 van de Awb vanwege het enkele feit dat eiser de aanvraag niet in persoon heeft ingediend en vervolgens zonder opgaaf van redenen niet op de uitnodiging van verweerder is ingegaan om alsnog op de aangegeven datum en tijdstip in persoon te verschijnen. Gelet op de wijze waarop verweerder de buitenbehandelingstelling van de aanvraag heeft gemotiveerd kan niet worden volgehouden dat de omstandigheid dat eiser zijn aanvraag niet met de benodigde bescheiden heeft onderbouwd (mede) redengevend is geweest voor de buitenbehandelingstelling van de aanvraag. In navolging van de inmiddels bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), onder meer de uitspraak van 10 juni 2008 (JV 2008, 278) oordeelt de rechtbank dat in de vreemdelingenwetgeving geen wettelijke voorschriften zijn opgenomen waarin een vereiste is gesteld dat het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in persoon dient te geschieden. Verweerder heeft de handhaving van de buitenbehandelingstelling in bezwaar niet kunnen baseren op de omstandigheid dat eiser niet in persoon de aanvraag heeft ingediend. Derhalve is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Voor de conclusie dat in dit geval slechts sprake is van één grond waarop de buitenbehandelingstelling is gebaseerd heeft de rechtbank steun gevonden in de uitspraak van de AbRS van 15 augustus 2008 (nr. 200802127/1). De AbRS heeft hierin de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 20 februari 2008 (AWB 07/20715) bevestigd. De buitenbehandelingstelling was in deze zaak exact op dezelfde wijze gemotiveerd als in de nu voorliggende zaak. De AbRS heeft in haar uitspraak overwogen dat de opgeworpen rechtsvraag eerder bij uitspraak van 10 juni 2008 (JV 2008, 278) is beantwoord. Voorts heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 6 november 2007 (AWB 07/18298). In de casus die aan deze uitspraak ten grondslag lag, was de buitenbehandelingstelling op twee gronden gebaseerd. Het hoger beroep heeft geleid tot de uitspraak van de ABRS van 10 juni 2008 (JV 2008, 278). De AbRS heeft met deze uitspraak bevestigd dat de buitenbehandelingstelling in die zaak op twee gronden was gebaseerd. De rechtbank acht de conclusie in de onderhavige zaak derhalve niet in strijd met de uitspraak van de AbRS van 10 juni 2008.
De uitspraak op rechtspraak.nl