Rb. 's-Gravenhage 17 februari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3843

De inbewaringstelling is onrechtmatig geschied gelet op het navolgende: De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de verbalisant niemand werkend heeft aangetroffen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat het proces-verbaal aldus moet worden gelezen dat eiser wel werkend is aangetroffen, nu hij zich in een als magazijn ingerichte ruimte bevond. Aldus gelezen is het proces-verbaal innerlijk tegenstrijdig, zodat die lezing moet worden verworpen. De door verweerder bepleite uitleg van het proces-verbaal strookt voorts niet met het achterwege blijven van een onderzoek door de verbalisant naar de aanwezigheid van een tewerkstellingsvergunnning voor eiser. Daar komt bij dat eiser deze uitleg van het proces-verbaal ten stelligste heeft betwist en verweerder daar niets tegenover heeft gesteld. Nu het proces-verbaal met zoveel woorden inhoudt dat eiser niet werkend is aangetroffen, blijkt daaruit niet op voldoende inzichtelijke wijze dat het verzoek aan eiser om een legitimatiebewijs te tonen, is gedaan in het kader van de controle op de naleving van de Wav. Nu vaststaat dat eiser niet werkend is aangetroffen was de verbalisant noch op grond van artikel 8a, tweede lid, van de Poiltiewet, noch op grond van artikel 5:16a jo 5:13 van de Awb bevoegd eiser naar een identiteitsbewijs te vragen. Voor beide bevoegdheden geldt immers dat deze slechts worden uitgeoefend voor zover dat voor de vervulling van zijn taak, het toezicht op naleving van de Wav, noodzakelijk is. Hieruit volgt dat in het proces-verbaal van aanhouding onvoldoende inzichtelijk is weergegeven of eiser in het kader van een Wav controle naar zijn persoonsgegevens is gevraagd. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de verbalisant tevens bevoegd was tot staandehouding op grond van de Vw 2000, is de maatregel onrechtmatig opgelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen